Laatste LN'de

Rood-witte tegenstellingen

Gepubliceerd op 30 juli 2010 - 08:00

De “kwestie Bosselaar” is een aantal jaren geleden een soort cause célèbre geworden tussen de besturen van Feyenoord en Sparta. De zaak nog eens in haar geheel te ontvouwen lijkt me onnodig en nutteloos omdat, zoals het spreekwoord verduidelijkt, gedane zaken geen keer nemen. Bosselaar kon destijds niet meer aarden bij zijn oude club, waarin hij reeds vanaf zijn juniortijd voetbalde, en besloot naar Feyenoord over te gaan. Met Sparta werd overeenstemming bereikt, Bosselaar ging voor Feyenoord spelen, doch na een jaar verlangde hij weer naar zijn oude club terug, nadat hij overigens bij de Stadionclub furore had gemaakt.

Het hoe en wat van deze zaak had vreemde achtergronden; men sprak ervan dat er something rotten was, dat er iets aan de knikker kleefde, kortom, heftige polemieken, waarin zelfs de kranten betrokken waren, werden opgezet. De bestuurderen van beide verenigingen zochten het zelfs “hogerop” en er ontstond een verwijdering tussen de leiders van de beide grote verenigingen die voor de goede verstandhouding van de wederzijdse supporters ook al niet bevorderlijk bleek.

Er kwam zelfs een procedure van die door Sparta werd gewonnen, maar een en ander zat de Feyenoorders toch echt niet lekker en men zag boze leiderstoeten aan beide kanten. Natuurlijk, achteraf beschouwd, een ongezond verschijnsel…

Gelukkig is de hemel opgeklaard, het inzicht gerijpt, de strijdbijl begraven en de vredespijp – al lang geleden – gerookt onder het motto: Laten we er verder niet meer over praten.

Tussen de supporters van Feyenoord en Sparta, ik zei het al, heeft die gebeurtenis om en met Bosselaar nogal wat kwaad bloed gezet. De verstandhouding tussen de wederzijdse supporters is over het algemeen goed (geweest); er zijn natuurlijk altijd die alleen maar hun eigen rood-wit zien en van dat van een ander niet, maar dan ook niets wensen te weten. Dezulken heeft men bij Feyenoord, die heeft men eveneens bij Sparta en ik raad de argeloze neutrale toeschouwer of voetballiefhebber aan uit de buurt van de heren te blijven als de grote derby tussen Feyenoord en Sparta of, zo u wilt, tussen Sparta en Feyenoord voor de deur staat. Dan kunnen, bij wijze van overdrijving gesproken, dergelijke heethoofdige supporters “elkanders bloed wel drinken”.

Vele staaltjes van dergelijk animositeiten zijn er in de loop der jaren naar voren gekomen; er waren dramatische, daar waren anecdotische gebeurtenissen en aan het laatste dacht ik eens toen ik het fraaie verhaal vernam van een ouwe baas, die op sterven lag en op zijn laatste ogenblik van Sparta wilde worden. Enfin, onderstaande versje is aan die ouwe baas gewijd en mag kenmerkend genoemd worden in de verhouding tussen de supporters van beide zusterverenigingen en vormt er een goede illustratie van… die u natuurlijk met een korreltje zout dient te nemen, het korreltje zout in de geest van de voetballevensbeschouwing van wijlen de grote Spartasportdichter Kumgra Nosalis, wiens pseudoniem u maar eens, als u het zelf niet weten mocht, door iemand die het wel weet moet laten vertellen. Maar goed, hier komt dan het bewuste vers, geschreven op 2 juni 1956 in het cluborgaan van de Sportclub Feyenoord:

O ja, om volledig te zijn, toen het versje geplaatst was werd ik enkele dagen erna opgebeld door een heethoofdig bewoner in Rotterdam-Zuid, die, ofschoon hij dit niet vertelde, Sparta-supporter was. Hij vond het een schande dat ik een dergelijk prul durfde te schrijven en maakte van zijn hart geen moordkuil. Ik heb hem gewezen op de intentie van mijn versje, hij zou Sparta er wel eens over inlichten, enfin, hij was niet aangenaam meer… Merkwaardigerwijze werd ik twee dagen daarna opgebeld door… secretaris Kleingeld van Sparta die geestdriftig uitriep: “Meneer Wolff, een alleraardigst versje, mag ik het in “De Spartaan” overnemen?” Daartegen was natuurlijk in het minst geen bezwaar en het verscheen met de vermelding “Sans rancune”. De bewuste boze meneer uit Rotterdam-Zuid belde me een maand later op dat hij het zo kwaad niet bedoeld had… Waarschijnlijk had hij toen “De Spartaan” gelezen… Inderdaad, ‘t is all in the game!

En dan nu het bewuste vers:

Laatste Wil

Honi soit qui mal y pense

Het liep af met opa Bakker,
wat je in zijn ogen las,
zodat ‘t voorland van de stakker
weldra het Hiernamaals was.
Kreunend lag hij op zijn sponde,
op de eens zo sterke beer
keken in die laatste stonde
bijkans tachtig jaren neer.

Opa lag naar lucht te hijgen
en een vriend, die bij hem zat,
kon niet anders doen dan zwijgen
wijl hij zo’n compassie had
met het vreselijke lijden
van zijn oude, doch vroeg toen
of hij voor de haast verscheiden
makker soms nog iets kon doen.

Ja, zei opa, hees van fluister,
steeds was ‘k lid van Feyenoord,
en hij mompelde in ‘t duister:
Da’s een kluppie, op m’n woord,
maar ik zou zo gaarne willen
dat ik vóór mijn eind begon,
en zijn hand begon te trillen…
lid van Sparta worden kon.

Lid van Sparta, vroeg de ander,
jaren zelf als Spartapiet,
hoe boks ik dát voor mekander,
opa, vast, dat lukt me niet.
Doe je best en doe het spoedig,
gromde opa, liefst meteen.
Goed dan, zei de vrind manmoedig,
nu, dan ga ik maar meteen…

Toen hij opa wou verlaten
om zijn vrindenplicht te doen
vroeg hij, min of meer gelaten:
waarom moe’k dat voor je doen?
Och, zei opa onverstoorder
dan je ooit nog denken kan,
liever dan een Feyenoorder
zie ‘k een dooie Spartaman…

Phida Wolff Jr., Feijenoord, uitgegeven in 1965