Tegen Sittardia in het Stadion werd Rein Kreyermaat 15 november 1964 met een beenbreuk uitgeschakeld, op 11 April 1965 viel plots Coen te offer aan de grilligheid van Football. Op prachtige wijze had hij in de wedstrijd Feyenoord-Telstar een aantal tegenstanders weggevaagd en juist toen zijn bal magistraal over doelman Stuy in het doel zou verdwijnen – op wonderbaarlijke manier redde een toegesnelde achterspeler op de doellijn – sprong de Telstargoalie Stuy hem op het linkerbeen. Coen geblesseerd, er schoot een huivering door de volle Kuip. Gerard Meyer poogde hem op te lappen, Coen probeerde het nog even, maar het ging niet en Piet Vrauwdeunt kwam hem vervangen, Piet Vrauwdeunt die op die plaats twee doelpunten zou scoren die de wedstrijd (moreel) beslisten ten voordele van Feyenoord.
Dinsdagmiddag bleek de enkel van Coen gebroken te zijn, rust werd voorgeschreven en Moulijn was de eerstvolgende weken uitgeschakeld. De huivering in het Stadion groeide tot landelijk afgrijzen, want juist in de beslissende fase van de competitie moest de Stadionclub haar idool missen. Nederland zat in zak en as, Feyenoord voelde de tegenslag, maar krachtig als de club nu eenmaal is, ving ze deze tegenslag op. Maar Coen was er niet meer bij en het leek opeens of de hemel minder blauw, het gras minder groen, de toekomst minder rooskleurig was. Rotterdam hield zijn adem in, want…
Coen, die maanden had gestreden
en die langs de witte lijn,
door het vaderland aanbeden,
Hollands glorie bleek te zijn;
Coen, die in de hete slagen
altijd had geëxcelleerd
en zijn kunst had uitgedragen,
met veel franje gedrapeerd;
Coen, die met z’n rappe voeten
- weergaloos de kuiten nam,
uit wiens voorzet, fraai van route,
‘t meesterschap naar voren kwam;
die de tegenstanders nepte
in schier tomeloze vaart,
vreugd in ‘t voetballeven schepte,
door geen mens geëvenaard;
Coentje die was uitgeschakeld,
hij keek moedeloos en pips
naar z’n enkel, toegetakeld,
doctoraal verpakt in gips;
toen de gouden glorie naakte
van de hoogste voetbaleer,
Coen van voetbalpassie blaakte,
wierp het wrede Lot hem neer.
Coentje, die nog populairder
dan de beste Beatle is,
voetbalde daardoor niet verder,
het was lelijk met hem mis.
Dokter, dominee, diaken,
Pater, predikant, pastoor,
iedereen sprak, bleek van kaken:
Coen gewond, het is wat, hoor!
Coentje, Coentje dispereerde
en dat was nou niks voor Coen,
maar de slag die ‘t lot serveerde
bracht ook Coen toen uit z’n doen.
Heel het land leeft met hem mede,
met de ramp voor Coen en Club
en het heeft pas rust en vrede…
als ‘t kan roepen: Coentje, hup!
Phida Wolf Jr., Feijenoord, uitgegeven in 1965

